Boekbespreking: Paul van Tongeren was hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Raboud Universiteit Nijmegen, buitengewoon hoogleraar ethiek aan het HIW van de KU Leuven. Dit essay over dankbaarheid was zijn afscheidscollege.
Paul Van Tongeren bestudeerde enerzijds de “ondervragende en ondergravende” filosofie van Friedrich Nietzsche en anderzijds ethiek. Voor Nietzsche is het eerste woord over de werkelijkheid “chaos” en de klassieke deugethiek veronderstelt dat het leven en de natuur fundamenteel goed en “in orde” zijn. Meer tegengesteld kan het moeilijk zijn.
Bij de geboorte van een kind betuigden we vroeger onze dankbaarheid voor dit levenswonder, nu vermelden we o.a. het gewicht en de lengte op het geboortekaartje. Nochtans bedanken we meer dan vroeger, we kunnen zelfs spreken van een inflatie van dankbetuigingen, zelfs voor een mail die we liever niet hadden gekregen, bedanken we.
Kunnen we überhaupt nog dankbaar zijn zonder God? Kunnen we nog dankbaar zijn voor het goede dat ons toevalt of vinden we het vanzelfsprekend?
Tegenwoordig zijn er andere woorden die alom aanwezig zijn in onze belevingswereld zoals autonomie, kritiek, individualisme, emancipatie …..geen dankbaarheid en nederigheid meer!
Seneca1 omschrijft danken als een “vrijwillig terugbezorgen”, het is eerder een instelling van liefde en vriendschap dan van rechtvaardigheid (het verplicht bewijzen van een wederdienst).
Zulk een vorm van dankbaarheid maakt de gever gelukkig.
Thomas van Aquino leert ons dat dankbaarheid zich richt op de “intentie”, de bedoeling van het geven, eerder dan op datgene wat hij gaf.
Adam Smith omschrijft dankbaarheid als een “gevoel” dat wordt opgewekt als iets goeds dat ons overkomt door de welwillendheid van de ander.
I. Kant verbindt dankbaarheid met het gevoel van “achting” (respect) waar bij het “redelijke wezen” zijn plicht erkent. Men dankt voor de welwillendheid van de andere, maar hij blijft de eerste die gegeven heeft en dus blijft men onvermijdelijk in de schuld staan…! Deze schuld is niet aflosbaar.
Het nihilisme van Friedrich Nietzsche2 stelt ons voor een “verschrikkelijk alternatief” daar we enerzijds de idealen afschaffen waarin we ten onrechte geloven (dankbaarheid t.o.v. God volgens Nietzsche) maar als we dat doen schaffen we onszelf af, omdat we zonder die idealen (dankbaarheid) niet kunnen leven.
Paul Van Tongeren3 schrijft hierover: “Wie weet moeten we de ervaring van dankbaarheid bevrijden van God, om God te kunnen bevrijden van een bepaalde en beperkende interpretatie van de dankbaarheid”.
Hoe kunnen we nu best het fenomeen dankbaarheid beschrijven?
Eerst en vooral is de dankbaarheid een vorm van wederkerigheid, namelijk het teruggeven aan die eerder gegeven heeft wat retributieve rechtvaardigheid wordt genoemd.
Het gaat dus voornamelijk om een intentie, in een verhouding van vriendschap eerder dan rechtvaardigheid.
Het is een combinatie van vrijwilligheid en verplichting (in het frans goed vertolkt in de uitdrukking: “Bien obligé”), in extremis kan men concluderen dat een gift een onmogelijkheid wordt (uitgewerkt door J. Derrida).
“De dank is onvermijdelijk getekend door de spanning tussen het belang van de dankbare die zijn schuld wil inlossen en de belangloosheid waarmee hij dat moet doen om zijn belang te realiseren.
Dankbaarheid wordt zo een utopisch ideaal.”4
“Wie dankbaarheid ervaart, wil niet zozeer iets terugdoen, laat staan terug geven, maar wil ook eerder goed doen, zoals hij goed ervaren heeft”5
Peperzak spreekt hier terecht van “een willen binnentreden in de beweging van goedheid”.
Dankbaarheid kan ook het “doorgegeven” van een boodschap zijn aan de volgende persoon, men spreekt dan van “kettingwelwillendheid”.
Wie niet godsdienstig of spiritueel kan zijn, zou ook nooit dankbaar kunnen zijn voor al de dingen die hij niet van een ander mens krijgt.
Dankbaarheid is primair volgens Martin Heidegger: Aandacht denkend aanwezig zijn bij wat er is, en vooral bij dat het is. Samuel Ijselling heeft dit prachtig uitgewerkt in zijn proefschrift “Denken en Danken, Geven en Zijn”.
Dankbaarheid kan ook worden opgeroepen door een gelukkig toeval, bv het ondergaan van de zon, een van de wonderen van de natuur.
Wanneer iets niet vanzelfsprekend is, kan/moet je bedanken. Dankbaarheid is ook een product van de opvoeding.
Te vermelden valt dat Aristoteles een terughoudendheid had jegens dankbaarheid, want dat zou je afhankelijk en inferieur maken aan diegene van wie je ontvangen hebt. Daarom zal de fiere/grootmoedige mens de andere vlug en overdadig teruggeven, om de machtsverhouding om te draaien. Deze manier van denken over danken is een uitzondering in de geschiedenis van onze Europese cultuur.
De schilderij van Rafaël “De Drie Gratiën” illustreert goed het wezen van de dankbaarheid door het geven, ontvangen en danken gesymboliseerd door de drie dochters van Zeus. Het ontvangen is hierin uitermate belangrijk want “Alleen wanneer de gave als gave, als geschenk ontvangen is, kan de dank echte dank zijn”6
Niettegenstaande zijn nihilisme, vinden we in het hele werk van Nietzsche de dankbaarheid terug, maar eerder voor wat ons overkomen is. Zijn laatste boek, Ecce Homo, opent met: “Hoe zou ik niet dankbaar voor mijn hele leven kunnen zijn?”
Kunnen we ook dankbaar zijn voor een leven wat een hel is?
Etty Hillesum denkt van wel en noteert in haar dagboek:
“Ik ben zo gelukkig en dankbaar en ik vind het leven zo mooi en zinrijk, terwijl ik hier sta aan het bed van mijn dode vriend, die veel te jong gestorven is en terwijl ik ieder ogenblik gedeporteerd kan worden naar een onbekend gebied.
Mijn God ik ben je zo dankbaar voor alles.”
Nietzsche spreekt van een “amor fati”, het aanvaarden van het leven zoals het is, en niet zoals we het zouden willen.
Om af te sluiten, de mens moet beseffen dat een “uiteindelijke zin en definitief geluk niet bestaan, en dus ook niet gemist hoeven te worden”. 7
Voetnoten